Zes schrijfoefeningen voor de zomer
Wat vorm & kleur zijn voor de schilder, zijn woorden en zinnen voor de schrijver.
In deze praktische oefeningen leer je daarmee te spelen en ontdek je hoe je ze kunt gebruiken voor maximaal effect.
Succes!
Oefening 1.
Schrijf de eerste 250 woorden van een kort verhaal maar maak er ÉÉN ZIN van. Zorg dat de zin grammaticaal in orde is en de juiste interpunctie heeft. Dit is een oefening voor het verbeteren van je zinsstructuur.
Oefening 2.
Schrijf een scène tussen twee mensen waarin beiden een geheim hebben dat ze geen van beiden openbaren. Niet aan elkaar en ook niet aan de lezer.
Oefening 3.
Schrijf een beschrijvende passage in een taal die niet jouw eigen is. Luister naar de manier waarop cafébezoekers praten, of mensen in een restaurant, bij de kapper of een andere plek waar mensen anders spreken dan jijzelf, bijvoorbeeld met een accent of een bepaald idioom en probeer dat taaltje op papier te krijgen.
Oefening 4.
Experimenteer met zinnen en alinea's. Zoek een beschrijvend stuk dat je mooi vindt, een alinea of twee, drie.
Ga nu alle zinnen herschrijven. Herschrijf het stuk eerst met uitsluitend simpele hoofdzinnen, zonder voegwoorden.
Herschrijf dan het stuk met alleen complex samengestelde zinnen, aaneengeschakeld met voegwoorden.
En herschrijf ten slotte het stuk met afwisselend simpele hoofdzinnen en samengestelde zinnen.
Je zult zien dat je daarmee heel goed snelheid en ritme kunt variëren.
Oefening 5.
Concentreer je op de werkwoorden. Zoek een mooie passage, ongeveer één pagina proza en onderzoek alle werkwoorden in elke zin. Zijn ze in de bedrijvende vorm (actief) of in de lijdende vorm (passief) gebruikt? Zijn het koppelwerkwoorden?
Als het een actief werkwoord is, is het werkwoord dan overgankelijk (=kan er een lijdend voorwerp bij) of intransitief (=er kan geen lijdend voorwerp bij)?
Is het werkwoord een metafoor voor iets anders (bijv. Mirjam zweefde boven de vloer)? Welk effect hebben deze werkwoorden op je leeservaring?
Oefening 6
Neem nu een stuk van je eigen werk en herzie alle werkwoorden die erin staan. Maak eerst alle werkwoorden actief, en maak vervolgens alle werkwoorden passief. Probeer ten slotte zoveel mogelijk werkwoorden te veranderen in metaforen.
Hopelijk heb je hiermee geleerd om de volgende keer bewuster om te gaan met je woorden en zinnen!



















